Wie voor de deur van Lagedijk 80 in Zaandijk staat, ziet in het bovenraam de Mercuriusstaf, symbool van handel en nijverheid. Tot ver in onze eeuw was de Zaanstreek één van de grote industriële centra van Nederland. Honderden molens sloegen hier olie, zaagden hout en maakten papier. De eerste Zaanse ‘pampiermoolen’ is gedocumenteerd te Zaandijk in 1605. Aanvankelijk werden in de Zaanse molens slechts karton en pakpapier vervaardigd: Het zogenaamde bord, basterd, grauw- en blauwpapier. De uitvinding van de ‘maalbak’ of ‘hollander’ maakte sinds 1673 de vervaardiging van Zaans witpapier mogelijk. Tsaar Peter de Grote bezoekt in 1697 en 1717 de Zaanstreek, waarbij hij naast de scheepsbouw ook de papiernijverheid bestudeert.
De welvarende papierfabrikeur (fabrikant) Cornelis Jacobsz. Honig (1683-1755) dreef met zijn broer Jan de firma C & I Honig met papiermolen De Vergulde Bijkorf (1668) en sinds 1709 ook molen De Veenboer (1695). Cornelis Jz. liet in 1710 voor zichzelf en zijn gezin het latere Honig Breethuis bouwen. Rond 1740 beleeft de Zaanse papiernijverheid haar grootste bloei en zijn
er maar liefst 38 molens actief. Het bedrijf van de broers Cornelis en Jan Honig werd gesplitst en voortgezet door Cornelis’ ongehuwde zoon Jacob Cornelisz. Honig (1707-1770), die na zijn dood ook diens woonhuis betrok en verfraaide. Bovendien nam hij zijn beide neven, Cornelis Jacobsz. Breet (1737-1806) en Arent Jz. Breet (1745-1807), op in zijn bedrijf met de papiermolens De Veenboer en Het Herderskind (1694). Deze beide molens staan afgebeeld
ter weerszijden van het haardscherm in de Tuinkamer. Twee jonge molenaars uit het bedrijf vertrekken rond 1760 naar Zweden om daar de kennis van het Zaanse papierbedrijf te verspreiden. Rond 1770 leveren de Zaanse papierfabrikeurs Adriaan Rogge, Jacob Honig & Zoonen en D & C Blauw onder meer zelfs papier voor het drukken van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring.
De beide broers Cornelis en Arent Breet zetten het bedrijf voort onder de naam C & I Honig Breet. Cornelis erfde het latere Honig Breethuis en Arent bewoonde het pand aan de Lagedijk 48. Daarnaast bezat Cornelis Jz. Breet de Bredenhof of het ‘Bos van Breet’, een riante overtuin van 10.000 vierkante meter, voorzien van tuinhuis, muziektent en kinderspeeltuin. De beide zoons van Cornelis: Jacob Cornelisz Breet (1778-1847) en Klaas Cornelisz. Breet (1784-1846), treden ook in het familiebedrijf. De jonge Jacob vervaardigt tussen 1791 en 1793 zes tekeningen betreffende een ‘Plan van een witte papiermolen’. Ze stellen onder meer het interieur van een lompenschuur en een pakkamer voor. Vanaf ca. 1790 wordt er in de Zaanstreek zogenaamd ‘velijnpapier’ vervaardigd. Dit is een fijne papiersoort, vervaardigd op schepramen van geweven kopergaas, dat zich goed leent voor fijne drukletters en gravures. Beroemde Duitse grafici als Philipp Otto Runge maken daarom graag prenten en tekeningen
op Zaans papier. Een tijdgenoot roemt het ‘voortreffelijk schrijf- of postpapier’ van Zaanse fabrikeurs als Kool, Van Gelder en Honig. De familie Breet maakt zelf ook reizen richting Duitsland om daar verschillende papiermolens en fabrieken te bezoeken. De Zaanse papierfabrikeurs sluiten met oog op molenbranden onderlinge ‘brandcontracten’ ter verzekering van hun bedrijven. Bovendien groeien ondernemers als Jacob Breet uit tot geziene notabelen, die een toonaangevende rol spelen in het geestelijke en sociale leven van Zaandijk.
Rond 1800 zijn er in de Zaanstreek nog altijd 37 papiermolens actief. Toch zet in de Franse tijd de neergang met forse tred in. Lompenimport voor de papiervervaardiging wordt aan banden gelegd en de relatief hoge lonen van de werknemers in de Zaanse papiernijverheid spelen de papierfabrikeurs eveneens parten. Diverse papiermolens, zoals van de firma’s Kool, Van der Ley en Jacob Honig en Zoonen moeten sluiten en worden gesloopt. Nadat de broers Jacob en Klaas Breet als compagnons het familiebedrijf hebben overgenomen, lijken zij zich aanvankelijk toch redelijk te kunnen handhaven. Het molenpersoneel van Jacob en Klaas is tussen 1801 en 1812 zelfs verdubbeld van 60 tot 120. Jacob betrekt na het overlijden van zijn ouders het latere Honig Breethuis met zijn echtgenote Grietje de Jager en hun jongste kinderen. Broer Klaas erft het pand aan de Lagedijk 48. Beide woonhuizen worden uitgebreid met een fraaie Zaankamer. In het geval van Lagedijk 48 zelfs een statig ‘luchthuis’ op zuilen.
Bovendien breiden zij het papierbedrijf in 1838 uit met een derde molen, De Herder (1689) uit de boedel van Van der Ley. 1838 is evenwel ook het jaar waarin het concurrerende familiebedrijf Van Gelder de eerste door stoom aangedreven papiermolen, Het Fortuin, in bedrijf stelt. De fabrikeurs Jacob en Klaas Breet, Jan Honig Czn en Jacob Kop klagen over de uitstoot van ‘zwarte hoofddeeltjes’ die het witpapier verontreiningen. Bovendien kampt Van Gelder met kinderziekten en is de ingebruikname van de Zaandijker molen Het Fortuin voor fabricage van het zogenaamde ‘stoompapier’ nog verre van winstgevend. De molen wordt in 1855 zelfs verkocht en door C. Honig Jzn met de firma Jan Honig Comp. weer voor ambachtelijke vervaardiging van grauwpapier teruggebouwd. Toch zetten de gebroeders Van Gelder in 1846, het sterfjaar van Klaas Breet, met De Eendragt een tweede molen op stoomkracht in werking.
Na de dood van hun vader in 1847 zetten de broers Cornelis Jacobsz. (1800-1852) en Jan Jacobsz Breet (1815-1892) een vennootschap met hun neef Cornelis Klaasz Breet (1818-1869) op om het familiebedrijf te kunnen continueren. De derde molen, De Herder, is al in 1842 afgebroken. Jan betrekt in 1847 met zijn echtgenote en volle nicht, Maartje Klaasd. Breet, het ouderlijk huis. In 1852 wordt molen Het Herderskind verkocht en tot houtzaagmolen verbouwd. Nadat Jan zijn
beide compagnons heeft overleefd, ziet hij zich in 1879 gedwongen het eertijds trotse papierbedrijf C & I Honig Breet te liquideren. Molen De Veenboer zou later worden ingericht als rijstpellerij om in 1906 te worden gesloopt. Als Jan Breet in 1892 als kinderloze weduwnaar sterft, is inmiddels definitief vast komen te staan, dat de toekomst is aan het stoompapier van Van Gelder en Zonen.
De boedellijst bij het overlijden van Jan wijst wel op een rijke inventaris, waaronder een ‘fraai glazen zilver- en porseleinkast’, die in 1893 wordt geveild. Behalve het latere Honig Breethuis, behoren de drie belendende panden tot het familiebezit. Deze waren in gebruik als keuken en bergplaats, stalling met koetsierswoning en wagenhuis. De Bredenhof, ooit levendige ontmoetingsplaats waar muziek en vrolijke kindergeluiden klonken, raakte langzamerhand in verval. De begraafplaats Zaandijk bevat tot op heden de grafsteen met opschrift, waaronder het stoffelijk overschot rust van Jacob en Grietje Breet en hun oudste zoon Cornelis.